Verlengde Velmolen 2B
5406 NT Uden
Op 21 oktober tekenen werkgeefster en werkneemster een arbeidsovereenkomst voor zeven maanden ingaande 1 november met een proeftijd van één maand. Vlak na de ondertekening vraagt de werkneemster of zij op 14 november al een voorschot van € 1.000 op haar loon kan krijgen. Op 22 oktober belt de werkgeefster om te zeggen dat het voorschot niet doorgaat en dat zij de arbeidsovereenkomst beëindigt met een beroep op de proeftijd. Dat heeft ze op 27 oktober schriftelijk bevestigd. Kan dat?
Standpunt werkneemster
Volgens de werkneemster is de opzegging niet rechtsgeldig omdat de arbeidsovereenkomst nog niet was begonnen en de werkgeefster daardoor nog geen beroep kon doen op de proeftijd. Daarnaast stelt ze dat de werkgeefster heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door de arbeidsovereenkomst op te zeggen omdat de werkneemster had gevraagd om een voorschot. Werkgeefster had tijdens de ondertekening van de arbeidsovereenkomst namelijk zelf gezegd dat het altijd mogelijk was om een voorschot te vragen. Wanneer de werkneemster dan op dit aanbod ingaat en om een voorschot vraagt, wordt de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd, terwijl werkgeefster ook had kunnen volstaan met het weigeren van het voorschot. Door een beroep op de proeftijd te doen, heeft de werkgeefster het proeftijdbeding aangewend voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld, namelijk om de geschiktheid van de werknemer te beoordelen. Daarmee heeft de werkgeefster niet als een goed werkgever gehandeld en dient de opzegging te worden vernietigd.
Standpunt werkgeefster
De werkgeefster betwist dat er sprake zou zijn van een ongeldige opzegging. Ook voordat de arbeidsovereenkomst was ingegaan, kon ze de arbeidsovereenkomst opzeggen, omdat de proeftijd toen nog niet was verstreken. Verder betwist de werkgeefster dat zij zelf een aanbod had gedaan om een voorschot op het loon te vragen, daar is juist de werkneemster mee gekomen. Door de arbeidsovereenkomst in de proeftijd op te zeggen heeft de werkgeefster niet in strijd met goed werkgeverschap gehandeld.
Beoordeling rechter: proeftijd
Tijdens de proeftijd mogen beide partijen de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen zolang die tijd niet is verstreken. Deze woorden zijn destijds door de wetgever uitdrukkelijk in de wettekst opgenomen om aan te geven dat de opzeggingsbevoegdheid ook geldt ten aanzien van een nog niet daadwerkelijk aangevangen arbeidsovereenkomst.
Door op 27 oktober de arbeidsovereenkomst schriftelijk op te zeggen, is sprake van een rechtsgeldige opzegging tijdens de proeftijd. De tijd waarvoor de proeftijd was overeengekomen was namelijk nog niet verstreken. Dat de werkneemster geen reële kans heeft gekregen om te laten zien of zij geschikt is voor de bedongen arbeid doet daaraan niet af, omdat een werkgever voor opzegging tijdens (of voorafgaande aan) de proeftijd geen redelijke grond hoeft te hebben.
Beoordeling rechter: goed werkgeverschap
Het voorgaande betekent echter niet dat een proeftijdontslag altijd is toegestaan. Een rechtsgeldig gegeven proeftijdontslag kan in strijd zijn met goed werkgeverschap.
De werkgeefster heeft gemotiveerd betwist dat zij de werkneemster een aanbod heeft gedaan om een voorschot op het salaris te vragen. Wél heeft de werkgeefster bij het doornemen van de arbeidsovereenkomst erop gewezen dat zij van haar werknemers verwacht dat zij het aangeven als er sprake is van financiële nood. Dit om te voorkomen dat werknemers een greep uit de kassa doen. Op de zitting heeft de werkgeefster onbetwist gesteld dat zij nooit een voorschot op salaris heeft uitbetaald. Als er al om een voorschot wordt gevraagd, wordt gekeken of vanuit de reservering van het vakantiegeld een bedrag kan worden overgemaakt. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, is het aan de werkneemster om haar stelling dat de werkgeefster haar een aanbod had gedaan om een voorschot op het salaris te vragen, nader te onderbouwen. Daarin is ze niet geslaagd.
Verder heeft de werkneemster nog aangevoerd dat het proeftijdontslag buitenproportioneel is omdat de werkgeefster het voorschot ook had kunnen weigeren. Een ontslag was niet nodig. Daartegen heeft de werkgeefster aangevoerd dat de werkneemster al vlak na de ondertekening van de arbeidsovereenkomst gevraagd had om een voorschot van € 1.000 om de huur te kunnen betalen. Door al zo snel om een (gedeeltelijke) uitbetaling van het salaris te vragen, veronderstelde de werkgeefster dat de werkneemster kampte met financiële problemen. Omdat er in het bedrijf van de werkgeefster veel contant geld in omloop is en er regelmatig incidenten zijn waarbij geld wordt ontvreemd, achtte de werkgeefster het een te groot risico om de arbeidsovereenkomst in stand te laten. Gelet op de afweging van deze belangen kan niet gezegd worden dat de werkgeefster in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld.
Conclusie
De conclusie is dat de opzegging van 27 oktober rechtsgeldig is gedaan. Het verzoek van de werkneemster tot vernietiging van de opzegging en betaling van het salaris vanaf 1 november wordt afgewezen.